Reviews | July 23, 2009 23:15

Dutch special: Recensie - Matten 6

Matten 6The quarterly Matten provides a mixture of interviews, stories and anecdotes with a literary flavour, interweaved with drawings, cartoons and photos. Recently the 6th issue came out, and as a rare exception we bring a review in the Dutch language.

Sinds de opheffing van Schaaknieuws en de Engelstalige successen van Nederlandse schaakschrijvers als Herman Grooten en het Sliedrechtse duo Jansen en Van Rekom, die onlangs het miljoenste exemplaar van The Lion verkocht schijnen hebben, valt er op Nederlandstalig schaakgebied niet veel meer te beleven. Maar gelukkig is er Matten, dat al bijna twee jaar de vinger aan de pols van de Nederlandse schaakschrijverij houdt.

Vorige maand verscheen het zesde nummer van Matten, volgens uitgever Allard Hoogland kwalitatief verbeterd - een constatering die, na de gemengde gevoelens die wij op ChessVibes hadden over Matten 1, 2 en 4, een uitgebreide recensie waard is.

Matten 6Matten 6 begint ijzersterk: met een mooie foto van Humphrey Bogart en Lauren Bacall gezeten achter een schaakbord. Ook een oppervlakkige blik op de inhoudsopgave nodigt uit tot snel verder lezen: schaken in Hollywood, een openhartig interview met Bouwmeester, maar liefst twee artikelen over schaak-reli-fenomeen Mecking, een artikel van Gouden Kooi-winnaar Jaap Amesz - het kan niet op. Maar zoals blijkt bij nadere lezing, bevat Matten 6 ook nog enkele pareltjes die misschien minder direct in het oog springen.

Laten we beginnen bij het begin - het eerste artikel is een uitgebreid relaas van de hand van Guus Luijters en gaat over schaken in Hollywood - vandaar die foto van Bogart en Bacall. Humphrey Bogart schaakte graag, en daar is best een mooi verhaal van te maken. Luijters slaagt daarin echter maar half. Aan de ene kant is zijn beschrijving van de vele schaakverhalen die Hollywood rijk is boeiend, aan de andere kant is de link tussen de Hollywoodwereld en schaken vaak wel erg gezocht of zelfs helemaal afwezig. Over Marilyn Monroe schrijft Luijters bijvoorbeeld:

Marilyn schreef poëzie, las Ulysses en was getrouwd met Arthur Miller, maar aan schaken deed ze niet. In haar films speelt schaken geen rol. Net zo min als in de films van Grace Kelly, Doris Day, Ava Gardner, Kim Novak en Rita Hayworth, om maar eens een paar van mijn favorieten te noemen.

Zo'n fragment wekt bij mij ergernis, niet alleen omdat Luijters' favoriete actrices toevallig precies die actrices zijn van wie werkelijk iedereen de namen wel kent omdat het nu eenmaal de beroemdste Hollywoodactrices zijn, maar ook omdat het opstapje waartoe dit fragment dient (soms wordt schaken verschrikkelijk weergegeven in films, dus het is de vraag of het erg is dat niet alle actrices schaakten, waarna een verhandeling volgt over wat er allemaal mis kan gaan bij schaakscènes en waarom) - omdat dit opstapje door de auteur vooral bedoeld lijkt om zijn eigen kennis van de filmwereld te etaleren. Nog een Luijterslijstje:

Op die lijst [van schakende filmsterren - AWM] figureren onder meer John Barrymore, Lauren Bacall, Humphrey Bogart, Charles Boyer, Marlon Brando, Nigel Bruce, Charlie Chaplin, Charles Coburn, José Ferrer, Sterling Hayden, Katherine Hepburn, Louis Jourdan, Mirna Loy, Ray Lilland, Maureen O'Sullivan, Basil Rathbone en John Wayne.

Nu heeft dit lijstje tenminste nog een functie, namelijk de wens aan te tonen dat vele Hollywoodsterren schaakten (maar hoe makkelijk is het om lijstjes te maken van Hollywoodsterren die niet schaakten? Enfin, Luijters geeft hierboven zelf al het antwoord.) Maar wat te denken van de volgende opsomming:

"Hollywood, dat was Doris Day en Bette Grable, Errol Flynn en Olivia de Havilland, Tarzan en Esther Williams, Virginia Mayo en Clark Gable, Danny Kaye, Technicolor, Metro Goldwyn Mayer, musical!"

Of deze:

"Regisseurs zijn vaak verliefd op hun sterren (Hitchcock en Grace Kelly, Tippi Hedren: Truffaut en Cathérine Deneuve, Truffault en Fanny Ardant, Truffault en al zijn hoofdrolspelers)."

Men ziet, Luijters doet graag aan namedropping en dit is nog maar zijn eerste artikel (hij heeft er twee in dit nummer)! Wie daarvan houdt en het opvat als een streling van zijn eigen intelligentie, zal het relaas van Luijters tot het einde leesbaar vinden - en er staan ook interessante zaken in - maar ikzelf haakte door deze overkill aan weetjes lang voor het einde van het artikel in hogere zin af. Dat Luijters ook nog contact blijkt te hebben onderhouden met Milos Forman, de regisseur van Amadeus, is daardoor helaas nog steeds niet helemaal tot mij doorgedrongen.

Moral VictoriesOver het andere stukje van Luijters (een recensie van de Tartakower-biografie Moral Victories van David Lovejoy) kan ik kort zijn: het is geen recensie. In plaats van het boek te bespreken, geeft Luijters er namelijk opnieuw de voorkeur aan zijn eruditie tentoon te spreiden, wat ellenlange uitwijdingen over allerlei irrelevante zaken oplevert en zinnen als

"En Finnegans Wake, hoor ik u vragen, Het Boek Ik, De Goddelijke Komedie, hoe staat het daarmee?"

(Wie hoort Luijters dit vragen? Zichzelf natuurlijk.) En

"De biografie van Tsjernysjevski, die Fjodor Godoenov-Tsjerdyntsev, de hoofdpersoon van De Gave van Vladimir Nabokov in dat boek publiceert?"

Joyce, Schierbeek, Dante en Nabokov op één pagina, mag het misschien een onsje minder? Als het aan Luijters ligt niet, want in dezelfde recensie komen ook Jeroen Brouwers, Gerrit Komrij en Marianne Moore ter sprake - genoeg, voordat men mij nog van dezelfde namedroppingpraktijken als Guus Luijters beschuldigt. (Gek dat Luijters dan weer niet weet wat de openingszin van Pride and Prejudice is, want hij denkt dat die uit "een film over Jane Austen" afkomtig is.) Oh ja, hij vindt het boek van Lovejoy 'bordkarton', maar waarom dat zo is, blijft grotendeels onduidelijk.

Maar het moet gezegd: met deze twee artikelen hebben we de zwakke punten in Matten 6 eigenlijk wel gehad. Goed, de tekening van Stefan Verwey gaat grotendeels aan mij verloren en ook het wel erg nostalgische gedicht van Jan Kal vond ik niet bijster spannend, maar verder valt er weinig te mopperen, of het moest het artikel van Alexandra Besuijen zijn over de charme van onaantrekkelijke schakers. Wie is Alexandra Besuijen? Is het een pseudoniem van Karel van der Weide, die een parodie geschreven heeft op het door hem zo gehate chicklit-genre met een schakerssausje? Je zou het bijna denken bij een stuk dat opent met:

"Van schaken weet ik niet veel. Van mannen wel. Van schakende mannen meer dan ik dacht."

En bij het lezen van een zin als

"Ik had al geen borsten en nu kon ik niet schaken ook"

ga je bijna denken dat de enige reden waarom de redactie Besuijen benaderd heeft is omdat ze een vrouw is.

Nee, dan de openingszin van het artikel De Macher van Dirk Poldauf:

Een onzichtbare magneet trok me naar een bepaald adres.

Dat is meteen al een uitnodiging om snel verder te lezen. Waar de clou van Besuijens stuk al in de eerste zin wordt verraden, zet Poldauf met zijn binnenkomer de toon voor een sober maar zeer spannend stuk over tomeloze ambitie en hoogmoed, met trekken van een klassiek drama. Tegelijk geeft de zin de intieme betrokkenheid weer die de auteur heeft met de hoofdpersoon van het artikel, toernooiorganisator Berhard Schewe. Poldauf schrijft dat hij met opzet niemand geïnterviewd heeft voordat hij met het schrijven van dit stuk begon. Waar dit in veel artikelen tot een eenzijdig beeld leidt, is dat in De Macher juist niet het geval. Dit komt doordat Poldauf tegelijk objectief als betrokken schrijft over de gebeurtenissen. Een enthousiaste uitroep als

"Hij verstond de kunst andere mensen te bezielen en mee te slepen. Ook mij!"

wordt afgewisseld met een droge opsomming zoals de volgende:

"Het einde kwam aldus. Hij kwam terug uit Moskou, waar hij een filiaal geopend had. Hij reed van het vliegveld naar zijn kantoor. Daar zat de politie al te wachten."

In dit spanningsveld is Poldauf helemaal in zijn element. Zijn verhaal zou menigeen misschien doen denken aan Citizen Kane, maar de kracht van Poldauf is dat hij zulk soort gratuite vergelijkingen vermijdt en de gebeurtenissen en zijn gevoelens laat spreken. Het resultaat is het beste verhaal in zes afleveringen van Matten.

Rob van Vuure's rubriek De Foto vond ik deze keer minder geslaagd dan in vorige edities. Op de foto zie je Kasparov tijdens een voetbalwedstrijd in overleg met de politicus Jean-Pierre Chevènement. De gebeurtenissen rondom deze foto worden adequaat genoeg door Van Vuure beschreven, jammer is vooral dat hij dit keer zo weinig vertelt over de foto zelf: waar hij voorheen uitgebreid stilstond bij de meest subtiele details van de foto, en allerlei onopvallende zaken naar boven wist te halen, beperkt hij zich nu grotendeels tot de anekdote zelf. (Van wie is bijvoorbeeld die arm die Chevènement naar de das lijkt te grijpen?) Zeer sterk daarentegen is de rubriek Het Notatieformulier, geschreven door Hans Ree. Met veel kennis van zaken en een groot opmerkingsvermogen analyseert hij gemoedstoestand en karaktereigenschappen van Aljechin en Capablanca naar aanleiding van de 12ste matchpartij die zij in 1927 tegen elkaar speelden.

Aljechin-Capablanca

Dan is er een sympathiek artikel van Olaf Koens over het Brusselse schaakcafé Greenwich. Dit is het artikel dat Alexandra Besuijen had willen schrijven, want het gaat ook over rare schakers en hun gewoonten. Maar waar Besuijen schakers ziet als 'vaststaande' persoonlijkheden - en dus vervalt in clichés - beschrijft Koens de onvermijdelijke veranderingen die de tijd zelfs in de meest stereotype schakersbohémien achterlaat. En toch, natuurlijk, overwint de liefde voor het schaakspel. Koens' artikel, ook met liefde geschreven, is een mooi en oprecht eerbetoon aan deze karakteristieke wereld.

Ook sympathiek is Peter Boels artikel Coyote over de 'dramatische ommekeer' in het schaakspel. Boel begint zijn stuk met een beschrijving van de iedereen bekende scène van de tekenfilmheld die met een noodgang een ravijn inloopt en pas na enkele stappen beseft dat hij geen vaste grond meer onder zijn voeten heeft. Boel vergelijkt deze scene met het plotselinge besef dat je gaat verliezen, en hij beschrijft enkele inderdaad zeer dramatische ommekeren in de hedendaagse Nederlandse schaakwereld. Zoals gezegd, het is een sympathiek stuk, maar toch wringt Boels analogie bij mij. In tekenfilms is meestal helemaal geen sprake van een 'ommekeer' - eerder het tegenovergestelde. Donald Duck was al op de vlucht - en nou valt hij ook nog in een ravijn. Bovendien is een tekenfilm naast tragisch vooral ook komisch - we weten namelijk dat het in de volgende scene weer goed is met Oom Donald, of met Wile E. Coyote. Een (onterecht) verloren schaakpartij is echter nooit komisch (hooguit achteraf); zij is uitsluitend tragisch.

Juist niet sympathiek is het portret dat Sam Aldridge maakte van Henrique Mecking, de voormalige Braziliaanse topgrootmeester die tegenwoordig vooral 'in de Here' is. Waar John Kuijpers in het andere portet van dezelfde speler in dit nummer nog enige compassie met Mecking toont ("Grootmeester Mecking is een vriendelijke man met lieve ogen"), is Aldridge bikkelhard in zijn beschrijving:

Meckings hartstocht was middeleeuws - een redelijke imitatie van Bernard van Clervaux [sic] die de tweede kruistocht predikte (...). Een lange wijsvinger zwaaide woest naar de camera's en zijn glimlach had iets fanatieks. Toen ik mijn foto's later aan een vriend liet zien, wees die me op een vlekje schuim in Meckings mondhoek.

Sterk is dat deze foto ook wordt afgedrukt bij het artikel. Nog sterker is de achtergrond van Meckings godsdienstwaanzin die Aldridge schetst. Hij duikt diep in de geschiedenis op zoek naar verklaring en betekenis van Meckings aan krankzinnigheid grenzende fingernotes op de Internet Chess Club. Zijn artikel vond ik het meest wetenswaardige (en uitgesproken) van Matten, al zitten er ook in Kuijpers' stuk aardige fragmenten, zoals het volgende gesprek dat Kuijpers met Mecking had:

'Als ik zeer diep zou bidden, zou ik dan bijvoorbeeld in de C-groep kunnen meedoen?' vraag ik hem vertwijfeld.
'Wat is je rating?'
'Ik keek ooit eens verwachtingsvol naar 2000.'
De gelovige grootmeester kijkt even schuin omhoog, naar de plafondplaten in de verlaten persruimte van Corus. 'Nee,' zegt hij dan resoluut, 'dan heb je gewoon geen talent.'

Een drieluik vormen voor mij de twee lange interviews met Hans Bouwmeester en Hans Böhm en Jan Timmans stuk over de onlangs overleden Berry Withuis. Waarom? Misschien omdat ze alledrie iets zeggen over de Nederlandse schaakwereld zoals die was en nog steeds is. Om met Timmans stuk te beginnen: dit kleine, persoonlijke relaas gaat vooral over Timmans ervaringen tijdens het Jeugdwereldkampioenschap in Israël in 1967, waar Withuis Timmans begeleider was. Het stuk zit vol grappige anekdotes, die vooral veel over Timman zeggen. Tijdens het toernooi krijgt een zieke Hübner het doktersadvies om 'bij het zwembad te gaan zitten om naar de meisjes te kijken.' Timman:

"Ik vond het curieus: zou je kunnen genezen door gewoon te doen waar je zin in had?"

Zelf vond ik niet zozeer dit advies interessant, noch het feit dat Timman dit curieus vond, maar dat Timman dit leuke detail onthouden heeft.

Dirk-Jan ten Geuzendams interview met Hans Bouwmeester wordt in SchaakMagazine beschreven als 'een van de beste stukken' vanwege de 'onomwonden meningen' van Bouwmeester. Toch vervalt dit lange stuk - waarin het soms lijkt alsof Ten Geuzendam het interview op geen enkele manier geredigeerd heeft, zoveel spreektaal komt erin voor - regelmatig in vlak gebabbel over vroegah. Maar het is waar dat Bouwmeester in het verleden vaak betrokken was bij conflicten en persoonlijke onenigheden met andere prominente schakers. Ik vond Bouwmeester juist mild overkomen - dat vindt hij zelf trouwens ook, schrijft Ten Geuzendam.

Enthousiast vertelt hij over een brief die hij ontving van Eddie Scholl, met wie hij toch flink in de clinch had gelegen. (...) 'En het merkwaardige doet zich voor dat juist Eddie Scholl, die ik natuurlijk ook een boek [zijn autobiografie - AWM ]gegeven heb, dat hij dat leest en dat hij mij een zo ontroerend aardige brief schrijft. Dat je denkt, ja, die is volwassen geworden.

Of mild? Misschien ook niet. Nergens doet Bouwmeester namelijk een poging om de schuld van het conclict althans gedeeltelijk bij zichzelf te zoeken: Scholl is volwassen geworden, Bouwmeester zelf was het kennelijk al. Ook elders in het interview lijkt Bouwmeester vooral tevreden met het feit dat anderen zich met hem verzoend hebben. Maar wat, zo vraagt gelukkig ook Ten Geuzendam, is toch de oorzaak van deze conflictueuze karaktertrek? Ook hier zoekt Bouwmeester de redenen niet primair bij zichzelf, maar bij zijn moeder, met wie hij 'vanaf [z]ijn allereerste kindertijd in gevecht geweest is'. Eén ding is zeker: Bouwmeester heeft nog steeds uitgesproken meningen, en dat levert interessante lectuur op, maar of de sympathie van de lezer altijd naar Bouwmeester zal uitgaan, waag ik te betwijfelen.

Hans Böhm

"Mr. Chess": Hans Böhm

Wat dat betreft geven de 64 Vragen aan Hans Böhm een tegengesteld beeld van de geïnterviewde weer. Böhm is wellicht net zo controversieel als Bouwmeester - en in elk geval veel bekender - maar in het interview in Matten vind ik hem buitengewoon sympathiek overkomen. Op zich is het trouwens al knap dat iemand 64 (vierenzestig!) vragen lang kan boeien - dat ligt vooral aan Böhms onderhoudende antwoorden. Van een onnozele vraag als "Heb je ooit à la Duchamp tegen een naakte vrouw gespeeld" kan zelfs Böhm niets maken, maar op de vraag "Wat weten we niet van Jan Timman" weet hij toch nog te antwoorden dat Timman zich uit onkunde altijd liet scheren. Ook zijn antwoord op de vraag welke schaker verder is gekomen dan hij had gedacht, vond ik verrassend: Jeroen Piket. Leerzaam voor mensen die vaak in het openbaar moeten spreken is de volgende vraag:

Wat is je kracht als je ergens een presentatie houdt?

'Ik kan zware onderwerpen licht maken en ik kan lichte onderwerpen een bepaald gewicht geven. Je probeert als dagvoorzitter alles in goede banen te leiden en je moet het aangenaam maken. Er moet ook af en toe iets te lachen zijn, anders kan je al die informatie niet bevatten. Ook als het over zware onderwerpen gaat. (...)

Dit is Hans Böhm te voeten uit: vol zelfkennis, een tikje oppervlakkig (vaak een bewuste keuze) en altijd onderhoudend - zelfs als het niets met schaken te maken heeft.

Maar het meest spraakmakende artikel in Matten 6 is ongetwijfeld Schaken in de Gouden Kooi van Jaap Amesz. Zoals bekend werd Amesz, alias Terror Jaap, een sterke 2200-speler, vorig jaar miljonair door het spelprogramma De Gouden Kooi te winnen. Ik was net als vele andere schakers tijdens de uitzendingen vaak verbaasd over het soms bizarre gedrag van Amesz, die ik kende (nou ja, kende zoals een schaker andere schakers kent) als een rustige, wat teruggetrokken jongen met aanzienlijk schaaktalent. (Achteraf was het trouwens geen wonder dat Amesz prima stand hield tegen grootmeester Jan Werle, die hem kwam opzoeken in de Gouden Kooi - hij las alleen maar schaakboeken.)

Gouden Kooi

De poort van de villa van De Gouden Kooi

Amesz-Werle

De eerste partij Amesz-Werle (1-0)

Amesz kwam, zag en overwon, en nu is hij weer back to normal, althans zo luidt mijn conclusie na lezing van zijn boeiende relaas - in SchaakMagazine ten onrechte afgedaan als 'klein grut'. Ten eerste is een miljoen winnen bepaald geen klein grut, ten tweede schrijft Amesz eerlijk over zijn leven met schaken in de Gouden Kooi. Bovendien schrijft hij soms - bewust of onbewust - zeer rake en herkenbare dingen:

Je kunt iemand enorm hard zien rennen en dan beseffen dat die gast fokking hard rent. Maar als je geen ene moer afweet van het schaakspel, dan kan je dus ook niet inschatten hoe hard iemand kan rennen op het schaakbord. (...) Ondertussen zagen mijn medebewonders me als een briljante schaker, terwijl wij als schakers allemaal weten dat ik nog niet eens Internationaal Meester-niveau had. (...) Dit kwam me in het spelen van het spel in DGK goed uit, omdat ik door schaken een enorm respect afdwong.

Welke schaker herkent niet de wanhoop waarmee hij aan niet-schakers probeert uit te leggen hoe sterk hij nou werkelijk is - zonder enig succes? Amesz' artikel behoort met dit soort opmerkingen tot de interessantste van Matten 6 - en is dus dubbel terecht 'blikvanger' voor niet-schakers die het blad willen kopen. Het zesde nummer is de beste Matten tot nu toe. Als de redactie de stijgende lijn weet vast te houden (durf nog meer te schrappen!), streven ze Hard Gras in november glasrijk voorbij.

Links

Arne Moll's picture
Author: Arne Moll

Chess.com

Comments

Frans's picture

"die onlangs het miljoenste exemplaar van The Lion verkocht schijnen hebben"....hehehe.

Bert's picture

Prima recensie!

Slim is het slechtste artikel uitgebreid te beschrijven en daarin de lezer van de goede smaak cq autoriteit van de recensent te overtuigen, om daarna summier op de betere in te gaan. Zo blijft er wat moois te lezen over. We zullen dit nummer weer 's aanschaffen.

Renzo's picture

Bouwmeester komt idd niet overdreven sympathiek naar voren in het interview. Maar arne, echt, er zijn mensen die niet de hele tijd bezig zijn maar zo aardig mogelijk over te komen. Echt! Het hoeft echt niet hoor, aardig LIJKEN (want vaak is het dat wat mensen doen: niet aardig zijn, doch zo overkomen).
derhalve vind ik het geen criterium.
en vond ik dus Bouwmeester ook wel weer sympathiek in zijn hardheid.

Arne Moll's picture

Renzo, ik ben het met je eens, maar je doet het voorkomen alsof ik het belangrijk vind dat mensen hun best doen om aardig over te komen. Niets is minder waar. Wel vraag ik me af in hoeverre Bouwmeester zich er zelf van bewust is dat hij niet altijd sympathiek naar voren komt, vooral omdat hij zelf zegt dat hij mild geworden is. Wat volgens mij dus maar deels zo is.

Renzo's picture

oo ja ik kreeg sterk die indruk ja dat jij dat heel belangrijk vindt, en een criterium om mensen op te beoordelen, hoe aardig ze lijken. Want je noemt het wel!
Maar daar vergis ik me dan in en dat is mooi.
Ik ben een beetje allergisch aan het woorden voor reacties op interviews als: die en die is zo sympathiek en die en die niet sympathiek.
Ik denk dan vaak: nou en?

Maar jij kijkt dus ook verder. Fraai.

Bouwm: ik neem dat allemaal niet zo serieus.
Mensen zijn niet eenduidig, zitten niet logisch in elkaar en bestaan niet uit een stuk. en waarschijnlijk ook niet uit twee stukken of drie.
Ik kan niet beoordelen of Bouwmeester zo mild is. MIsschien wat milder dan vroeger.
Ik hou wel van een beetje stellingname.

Hij zal hier en daar gelijk hebben en hier en daar onzin spreken.
Hij is net als ieder mens: een beetje zinnig, een beetje onnozel, een beetje aardig, een beetje een klootzak.

Ik heb me geamuseerd met het interview. Ik heb het niet puur gezien als informatiebron maar meer als een soort cabaretvoorstelling.
Zo kijk ik ook naar Het journaal, sport, interviews enz. Althans dat tracht ik. Scheelt een hoop...

Arne Moll's picture

Ik noem het wel omdat het, vind ik, een van de aspecten is die bepalen waarom het leuk/niet leuk is om een interview te lezen. Maar ik vind het onzin om te zeggen dat een interview goed is omdat de geinterviewde sympathiek overkomt. Daarom doe ik dat dus ook niet.

Sommige mensen houden ervan interviews met sympathieke personen te lezen, anderen houden van interviews met juist heel onaangename types. Zelf maakt het me niet uit, zolang de geinterviewde maar iets interessants te melden heeft.

Voor cabaret ga ik trouwens liever naar het theater :-)

Renzo's picture

ja, dat lijkt me idd een aardige uitgangspositie arne, Wat ik bedoel is dat een hoop 'informatie' eigenlijk amper info is. meer amusement.

Latest articles